banner kate

banner kate

Woorden

over leven

links levensverhalen

Wat uit opa's kistje fladdert

Op een dag kwam ik thuis met een prachtig, oud, beschilderd, Chinees kistje. Ik plantte het pardoes voor mijn zoontje (10) op tafel: "Zo, dat is jouw erfenis van je opa." Nieuwsgierig keek hij in de kist.

Zijn opa heeft hij nooit gekend. Hij weet dat daar een reden voor was, maar de details kent hij niet. Het contact tussen mij en mijn Indische vader was altijd moeizaam geweest. Maar, door mijn inmiddels overleden, vaders huis dwalend, had ik het kistje gevuld met allemaal dingetjes, waarvan ik dacht dat een kleinzoon ze vroeg of laat wel leuk zou vinden. Een mooi zakmes, een prachtig bewerkt zilveren sigarettendoosje, een antieke bosatlas, een Japans go-spel, een mooi jeu de boules spel, etc.

Tims oog viel echter onmiddellijk op iets geheel anders. Hij stak zijn handje in de kist en haalde er het simpele beeldje uit dat ik als tiener of student ooit voor mijn vader had gekocht. We hadden in die tijd weer eens gekampeerd bij de boswachter en die verkocht dat soort beeldjes. Het was een dikke tak met inkepingen, waardoor het een beeldje geworden was van een uil. Prachtig in al zijn eenvoud. Mijn vader had het gekoesterd en een ereplekje gegeven in zijn huis, 30 jaar lang, ongeacht de aard van ons contact.

Tim liep ermee naar zijn kamertje en zette het in zijn vensterbank: "Dat vind ik móói, mama!" Met een dicht geknepen keel, gaf ik hem een knuffel. Daarop pakte hij zijn Donald Duckje weer op en vertrok weer naar Duckstad. De kist met de andere spulletjes bleef waar ik hem had neergezet.

Gisteren kwam hij uit school: "Mama, ik moet op school een monoloog houden over een foto. Ik wil een foto maken van dat uilenbeeldje uit opa's kist en daar over vertellen." Weer gaf ik hem een knuffel. "Wat een mooi idee, Tim!"

uilenbeeldje pa compr

Moeder de Vrouw

Tijdens de Boekenweek over het thema Moeder de Vrouw werk ik aan de autobiografie van mijn moeder. Urenlang interview ik haar over haar Portugese moeder, die ze verloor als dreumes in het Jappenkamp in Nederlands-Indië. Over haar oer-Hollandse, socialistische tantes en pleegmoeders en de afwezige zeemannen. Als twee vriendinnen kletsen we over haar vrijgevochten studententijd en seksuele revolutie. Over hoe ze verliefd werd op pa en over zijn eigenaardigheden. Wanneer we bij mijn kindertijd aankomen, ben ik ineens weer dat kleine meisje op de zakjes Katjadrop: kogelrond bolletje met twee pikzwarte staartjes.

Ik vind het veel moeilijker om mijn moeder te interviewen, dan welke klant dan ook. Niet vanwege emoties of zo, maar puur omdat ik de meeste verhalen al ken. Ik ben geneigd om de beelden zelf in te vullen uit mijn herinneringen, in plaats van ze te bevragen en te noteren in haar woorden. Ook sommige conclusies trek ik zelf en pas tijdens het redigeren vraag ik me af of ze wel kloppen met de hare. Welke blinde vlekken heb ik nog meer als dochter, die ik als biografe normaliter niet heb?

Maar het belangrijkste is dat ik intens geniet van de tijd die we hiervoor samen doorbrengen. In haar huis, met al haar herinneringen om zich heen. De koffiemolen waar haar tante tijdens de hongerwinter keiharde bonen en andere gedroogde peulvruchten in maalde. Het zilveren bedeltje dat ze op straat vond toen ze het kamp uit kwam. Het oude, benen mahjongspel waarmee we avond aan avond plezier hadden als jong gezin. De emaille pannetjes waar ze als student op kamers al in kookte. Terwijl ze allemaal door onze handen gaan, fotografeer ik alles om het boek straks mee te kunnen illustreren

In deze uren zie ik in haar glunderende warmte weer een glimp van de moeder die ze ooit was: zo toegewijd om haar kinderen door te geven waar zíj intens van genoot: de kleine, maar waardevolle dingen van het leven die je deelt met de mensen waar je hart naar uit gaat.

Dank je, mams! 

Echo en Narcissus (1)

#WorldStorytellingDay

Echo was een hele mooie, praatgrage bosnimf. Ze kon nooit haar mond houden. Oppergod Zeus vermaakte zich graag met de nimfen. Hera was de vrouw van Zeus én erg jaloers. Op een keer was Zeus weer met een nimf en Hera kwam erachter. Ze wilde hem op heterdaad betrappen. Maar Echo wist Hera net zolang op te houden met haar gepraat, dat Zeus nog net op tijd weg kon komen. Hera was hier zo kwaad over, dat ze Echo strafte door haar haar spraak af te nemen. Daardoor kon ze nooit meer zelf een gesprek beginnen, alleen nog maar herhalen wat een ander zei. (Bron: Wikikids)

 Echo en Katja

Als kind van ouders die opgroeiden in een Jappenkamp, leerde ik om mij compleet 'heen te vouwen' om hun gevoeligheden, hun angsten, hun mogelijkheden en ónmogelijkheden. Binnen hun mogelijkheden deden ze oprecht alles wat ze konden. Maar als ik dus iets wilde vragen of zeggen, vroeg ik me eerst af hoe hun situatie was en hoe ze zouden reageren. Vervolgens doordacht ik tenminste drie mogelijke scenario's (vaak meer) wat ik het beste wel of niet kon zeggen (en wanneer en hoe...). Dat kost natuurlijk bakken energie en doet alle kinderlijke spontaniteit teniet. 

In mijn studententijd kreeg ik een studievriendje. Die was dol op kiten (surfen met zo'n grote, opblaasbare vlieger) aan de kust en hij wist dat ik van wandelen hield. Verder deelden we eigenlijk niet zo vreselijk veel. Dus reden we elk weekend naar het strand, waar ik ging wandelen - alleen - en hij ging kiten: 'gezellig samen op pad'.

John William Waterhouse Echo and Narcissus Google Art Project

Het beroemde schilderij van Echo en Narcissus, geschilderd door William Waterhouse (bron: Google Art)

En Narcissus

(hier parafraseer ik wat) Narcissus was een hele knappe man waar veel vrouwen verliefd op waren. Maar hij was alleen maar geïnteresseerd in de jacht en in zichzelf. Want mensen die weten hoe knap ze zijn en dat graag horen, hebben moeite met gelijkwaardige vriendschappen met 'gewone' mensen. Toen hij op een dag aan het jagen was, zag Echo hem en werd gelijk verliefd. Ze kon alleen geen gesprek met hem beginnen, slechts herhalen wat hij zei. Dat vlijde hem, maar hij liet zich toch weer steeds van haar afleiden door de jacht. Zij was daar zo verdrietig over, dat zij de bergen invluchtte en in grotten leefde. Langzaam maar zeker teerde ze door haar verdriet weg en verloor ze haar lichamelijke vorm. Alleen haar stem bleef over. Zo komt het, dat als je in de bergen of in grotten loopt en iets roept, zij nog altijd het laatste woord wil hebben.

Katja loopt leeg

En zo ging deed ik dat eigenlijk in alles: omwille van de relatie deed ik wat de ander leuk vond (of wat ik dacht dat hij of zij van mij verwachtte). In studiekeuze, in mijn eerste baan, in vriendschappen. Het was zo'n gewoonte geworden, dat ik niet eens meer kon voelen wat ik nou eigenlijk zelf leuk vond om te doen: als de ander blij was, was ik ook blij.

TOTDAT mijn energievaatje natuurlijk leeg raakte. Ik ging in therapie en kwam bij lotgenotengroep INOG (Indische Na-Oorlogse Generatie) terecht. Want het is iets wat veel kinderen van oorlogsslachtoffers herkennen. We worden vaak steengoed in verzorgende beroepen, maar lopen finaal voorbij aan onze eigen behoeften.

Echo wordt weer Katja

Vele jaren later kwam ik als verhalenverteller het verhaal uit de Griekse Mythologie tegen over de bosnimf Echo en haar knappe Narcissus. Echo trof mij als de bliksem. Ik probeerde langzaam maar zeker weer te voelen wat ík leuk en belangrijk vond, wat ík graag wilde. Héél langzaam werd de Echo in mij weer Katja.

(Overigens liep het ook met Narcissus niet goed af en trof ook zijn lot mij als de bliksem. Maar dát is weer een nieuw verhaal...)

Serpent Mathilde

“O. Dus jullie vinden dat ik altijd so streng was tegen je mama en tegen jullie? Ik was helemaal nie streng, ik leerde jullie hoe je moes overlefen in dese harde wereld. Want daar wis ik alles fan. O, ik heb wat overleef! Jullie willen horen? Luiser:”

Over mijn Indonesische overgrootmoeder Mathilde klonk nooit een aardig woord in de familie. Ik vroeg me af waarom niet en dook in de archieven. Ik vond een verbijsterende schat aan informatie en liet de geest van Mathilde haar verhaal vertellen aan mijn ooms en tantes.

oma de vries closeup gecompr

Een Minangkabauws dorpsmeisje

Mijn verhaal begint in het Minangkabauwse vissersdorpje Air Bangis, aan de westkust van het eiland Sumatra. Jullie kinderen noemen het nu Indonesië, maar leer ze dat het ooit Nederlands-Indië was en dat hun wortels daar liggen. Nou, daar is mijn mama Aïsa opgegroeid. Als een rasechte Minangkabauwse leerde ze hoe ze als vrouw een familie, een huishouden en de familiezaken moest leiden. Én hoe ze daarbij de mannen moest inschakelen. Want ja, als je die dingen aan mannen over laat, dan, gaan ze maar liggen luieren of gokken bij de hanengevechten? Nee? O. Tja, ik denk dat ik wel wat trekjes van mijn moeder heb overgenomen, ja.

Mijn vader heette Frans Wilhelm Krijgsman en was een knappe, Hollandse man, geboren in 1858. Hij was griffier in de streek van mijn moeder, bij de Raadkamer van de Landraad, de rechtbank voor de plaatselijke bevolking. Residenten en griffiers waren in die tijd meestal blanke mannen in een westers pak. O, dat stond mijn vader goed, hoor!

Mijn moeder werd zijn huishoudster, zijn ‘njai’. Tja, kijk, het ging in die tijd zo: een jonge, alleenstaande, Hollandse man wordt uitgezonden naar de binnenlanden. Hij moest daar zelfstandig wonen en nam dus een inlandse huishoudster om zijn huishouden te doen. Maar ’s avonds wil hij best ook een beetje gezelschap. Dus ja, daar kwamen kinderen van, hè. Op 10 maart 1881 werd ik geboren en drie jaar later mijn zusje Sophia. Maar een Hollander die zijn inlandse njai trouwt? Adoe, dat kon echt niet, nee! Maar die eerste jaren hadden we eigenlijk best een fijn gezinnetje zo samen.

De gemene stiefmoeder

Toen ik elf was, veranderde dat. Jullie moeten weten, dat in die tijd de vrouw van een Hollandse ambtenaar een belangrijke taak had. Ze moest ontvangsten organiseren van relaties die hem misschien ooit naar een betere positie zouden kunnen helpen. Uiterlijk vertoon was erg belangrijk, dus zorgde ze ervoor dat het interieur van het huis paste bij hun status. Daarnaast vergezelde ze haar man naar andere ontvangsten en naar de sociëteit. Ook daar moest ze goede relaties leggen met de echtgenotes van belangrijke personen.

Gehoorzamend aan de adat van zijn volk, trouwde mijn vader een Hollandse vrouw die dit voor hem kon doen. Hij heeft mijn zusje en mij nog wel erkend als zijn wettige dochters, wat ons een nare toekomst bespaarde als onwettige dochters van een na gebruik weggegooide, inlandse vrouw. Want onze stiefmoeder jaagde onze moeder gewoon weg, hoor! En hoeveel warme aandacht denken jullie dat de dochters haar mans oude njai kregen? Precies. Wij moesten van haar werken als Assepoesters. En vader was natuurlijk altijd werken of op bezoek bij relaties.

Op vrijersvoeten

Ons leventje thuis was dus niet meer zo leuk. En ja, wat doe je dan zodra je 18 wordt? Die Carel Richardson Davies uit Pariaman leek me best een knappe, aardige indo – net zo gemengdbloedig als ik. Én hij wilde wel trouwen, dus ja, dat was snel voor elkaar. Maar Carel bleef niet lang, op een dag was ie weg. Geen inkomen meer, natuurlijk en in die tijd werd een gescheiden vrouw met de nek aangekeken. Dus ik terug naar mijn vader en stiefmoeder. Hoe ik die tijd ben doorgekomen, weet ik niet meer en ik heb het jullie moeder en haar zussen ook nooit verteld.

Gelukkig wist ik al gauw jullie opa Jan de Vries, ook een knappe Indo, te verleiden: ik raakte zwanger, dus ja, toen moest hij me wel trouwen. In 1905 trouwden we in Pariaman, 24 was ik. Jan vond werk als opzichter in de Ombilin steenkolenmijnen in Sawahlunto en dus verhuisden we naar dat mijnstadje. Het ligt iets ten oosten van Pariaman, in de bergen. Het bleek een gouden greep. Jullie opa was er trots op dat hij behoorde tot de ‘aan Europeanen gelijkgestelde personeelsleden’. Want daardoor kregen we een mooi huis op een berg met een prachtig uitzicht en met veel grond eromheen.

kaart west sumatra sawahlunto

Jullie herinneren je nog wel dat het mijnstadje vooral bevolkt werd door een gezellige Indo-gemeenschap met een comfortabel leven: met auto’s, bedienden, een sociëteit, bioscoop/theater, een winkel met Hollandse producten, een eigen ziekenhuis en scholen. Jullie maakten ’s zondags uitstapjes naar het zwembad, afijn, dat weten jullie allemaal nog wel.

Dwangarbeid

Ondertussen werkte jullie opa lange dagen als opzichter tussen de mijnwerkers. En als ie dan thuiskwam, tja, hoe leg ik dat uit? Jullie gingen natuurlijk ook alleen om met kinderen van je eigen stand. Maar in de mijn werkten Javaanse contractarbeiders en dwangarbeiders uit gevangenissen, jullie noemden ze als kind ‘kettingberen’. Zij werkten lange dagen onder de grond met vieze, zware steenkool en nog zonder machines. Ze sliepen zij aan zij in houten barakken en kregen maar 60 Indische centen per dag (dwangarbeiders natuurlijk niets). Ongehoorzaam? Zweepslagen! Je snapt dat er regelmatig mijnwerkersopstanden waren. Elke opzichter moest wel 200 gevaarlijke, ontevreden arbeiders in smalle, donkere mijngangen aan het werk en onder de duim houden.

Opa Kolenmijn

Nou, jullie opa Jan dus ook. Dus ja, als hij thuiskwam na zo’n dag, ging ie op zijn krent zitten, wilde hij ontspanning, vrolijkheid en verlangde van mij aandacht, liefde, troost. Maar ja, dat heb ik zelf ook nooit gehad en dus niet geleerd te geven. En ik had wèl al die grond om het huis én van mijn moeder geleerd mannen in te schakelen en goed voor mezelf te zorgen. Dus had ik allemaal fruitbomen, koffiestruiken en bloembedden voor boeketten geplant en werkte ik hard om de opbrengst te verwerken tot koopwaar, iedereen daarbij inschakelend. Misschien ben ik niet altijd even aardig voor Jan geweest. Kassian, Jan.

Het grote verdriet

Maar wat vooral moeilijk was, was het overlijden van Francisca, ons eerste kindje. Ze overleed na drie maanden. Sudah, laat maar, jullie weet: Indische mensen praten niet over moeilijke dingen en in die tijd al helemaal niet. Ik weet niet wat Jan voelde of dacht, ik voelde alleen mijn eigen verdriet en schuldgevoel. Gelukkig werd jullie tante Jeanne in 1907 geboren als een gezonde baby, jullie moeder Kitty een jaar later en de jongens daarna. Mijn baldadige benjamin, jullie oom Jeeke, maakte jullie vaak bang door de hangbrug naar onze tuinen heen en weer te slingeren wanneer jullie daar overheen moesten.

Jullie weten ook dat opa Jan een vrouw in Padang leerde kennen en bij ons wegging. Tja, misschien had zij meer tijd en aandacht voor hem… Pas in 1959 liet hij zich officieel van mij scheiden en waarschijnlijk mocht ik door die late, officiële scheiding nog zo lang in het huis op de berg blijven wonen van de mijndirectie. Dat was financieel onze redding. Want zonder Jans inkomen, moest ik met jullie moeder en haar broers en zusters leven van wat onze grond opbracht. Jullie moeder klaagde wel dat ze van mij zo hard moest werken in huis en tuin, maar hoe moest ik anders al die monden voedden en kleren kopen? Dus Jeanne moest kleren naaien voor de verkoop, jullie moeder moest het huishouden doen en helpen met de bloembedden en de jongens onderhielden de fruitbomen. Ik maakte en verkocht de boeketten en het eten en lekkers aan de kerk voor begrafenissen en zo, aan de sociëteit, aan het hotel en anderen. Zo konden we met zijn allen net het hoofd boven water houden. Nee, tijd om te spelen en zo was er dus niet; de jongens mochten blij zijn dat er tijd was voor school. Ach, aan hard werken is nog niemand dood gegaan en zo leerden de meiden meteen hoe ze moesten overleven als hun mannen later ooit nog eens weg zouden lopen. Want als ik één ding heb geleerd in mijn leven, dan is het wel dat je nooit moet vertrouwen op mannen. Elke vrouw moet haar eigen boontjes kunnen doppen.

Wel was Jans vertrek mijn zoveelste verlies: eerst mijn moeder waardoor ik bij die onmogelijke stiefmoeder kwam, vervolgens mijn eerste man, ons eerste kindje Fransisca en toen opa Jan. Misschien heeft me dat wat hard gemaakt. Maar jullie mochten natuurlijk altijd bij mij komen spelen als jullie moeder weer eens het ziekenhuis in moest voor een bevalling. En nee, tijd om mee te spelen had ik niet, dus jullie moesten jezelf vermaken en me vooral niet in de weg lopen, want dan zorgde ik er wel voor dat je uit de weg gíng!

Zo was het maar mooi

Tja, kinderen, dat was mijn verhaal. Dus nou niet meer klagen over jullie onvriendelijke, commanderende oma, hè. Want nu weet je waarom ik zo was. Vertel maar aan jullie kinderen hoe jullie oma helemaal alleen je moeder en haar broers en zusters gezond en goed door een armoedige jeugd heeft heen gesleept. Want zo was het maar mooi.